Drs. Annemarie Voorbij, Drs. Jenny Buijtels en Dr. Hans Kooistra |
|||||
In de afgelopen paar maanden zijn op de Universiteitskliniek voor Gezelschapsdieren een drietal Dwergschnauzers aangeboden die duidelijk dwerggroei vertoonden. Een van deze honden is te zien in de onderstaande figuur: ![]() Twee van deze dieren waren broer en zus van elkaar, maar wel afkomstig uit 2 verschillende nesten. Hun nek en pootjes leken wat te kort te zijn, maar dit was niet overduidelijk. De dwergjes hadden een relatief klein kopje en een breed en vierkant rompje en twee van de drie dwergjes hadden een onderbeet (Figuur 2). De bespiering van de dwergjes was gering te noemen en ze konden ook niet zo goed rennen en springen. Bovendien had hun rug een licht afwijkende stand en had 1 dwergje last van losse knieschijfjes. De dwergjes waren te sloom en wilden toen ze klein waren niet zo graag spelen als van normale pups verwacht mag worden. De vacht bevatte nogal wat huidschilfers rond de staartbasis en in de liezen. Verder had 1 dwergje in het verleden problemen gehad bij het wisselen van de melktanden. Na het uitvoeren van een aantal bloedtesten en scans van de schildklieren kon bij deze honden worden vastgesteld dat deze dwergen leden aan een zeer zeldzaam aangeboren tekort aan een hormoon uit de hersenen dat de schildklieren stimuleert. Met andere woorden de dwerggroei is het gevolg van aangeboren schildklierhormoontekort. Er bestaat gelukkig wel een behandeling voor deze aandoening waardoor een deel van de klachten, zoals de 'sufheid' en de huid- en vachtproblemen zullen verdwijnen, maar deze dwergjes zullen altijd te klein blijven en ook de skelet veranderingen zullen permanent zijn. ![]() |
|||||
|
|||||
| Aangezien twee dwergjes een volle broer en zus van elkaar zijn en er in hun stamboom inteelt voorkomt, is het zeer waarschijnlijk dat het hier om een erfelijke (=genetische) afwijking gaat. Ook het voorkomen van deze zeldzame vorm van dwerggroei bij maar liefst drie dwergschnauzers wijst op een erfelijke afwijking. Dit is dus niet alleen erg vervelend voor de hondjes zelf, maar ook een probleem voor het gehele ras. Aangezien de ouders van deze dwergjes zelf geen verschijnselen vertonen, verwachten wij dat het hier om een recessief overerfbare afwijking gaat. Dit houdt in dat een drager van de mutatie geen klinische verschijnselen vertoont, maar dat indien deze gekruist wordt met een andere drager, hier een nest jongen uit voort zal komen waarin een kwart van de pups zal lijden aan de ziekte en nog eens de helft van de pups drager zal zijn van de mutatie. Aangezien aan een dier uiterlijk niet te zien is of deze drager is van de mutatie, brengt dit een erg lastig fokprobleem met zich mee. Om dit gezondheidsprobleem echt te kunnen aanpakken is het allereerst van belang meer inzicht in deze ziekte te krijgen. Hiervoor is het belangrijk de verspreiding van deze aandoening in kaart te brengen. Met deze informatie kunnen wij bepalen of het hier daadwerkelijk om een erfelijke afwijking gaat en op welke manier deze overerft. Daarom adviseren wij eigenaren van relatief kleine Dwergschnauzers hun hond te laten onderzoeken op de endocrinologiepoli van de Universiteitskliniek voor Gezelschapsdieren te Utrecht. Mocht uw dier ook aan deze aandoening lijden, dan kunnen wij bovendien direct starten met de behandeling van uw dier. Van de eigenaren van de dwergjes die wij nu behandelen, hebben wij vernomen dat hun dier veel alerter en vrolijker is geworden. U helpt hiermee dus niet alleen het ras, maar zeker ook uw eigen dier! |
|||||